De gebruikers en de hulpelozen

Lang, lang geleden ontwikkelde zich vanuit een aapachtige soort een wezen dat nu de hele aarde bewoond. We zullen ze even voor het gemak de Gebruikers noemen. Een van de sterkste punten van deze soort is dat ze intelligent genoeg zijn om werktuigen te kunnen maken. Werktuigbouwkundigen staan dan ook in een ontzettend hoog aanzien onder hun soortgenoten. Alles wat ze tegenkomen toveren ze om in bruikbare spullen. Alles kunnen ze gebruiken en dat doen ze dan ook. Niks laten ze liggen. Zand, stenen, metalen, mineralen, planten. Alles, maar dan ook alles is bruikbaar. Het enige vereiste is dat het economisch haalbaar moet zijn. Is deze magische dollargrens bereikt dan is de desbetreffende grondstof de pineut. Zij wordt geëxploiteerd totdat ze uitgeput is en dan wordt een nieuwe oplossing gezocht.

Big deal. Wie mist er nu zand en wat stenen. En die olie zat toch maar te rotten in de grond. En wie maalt er nu om wat planten? Die hebben we toch netjes zelf geplant, opgekweekt en zijn dus van ons. Lang leve het Christendom. In de bijbel staat dat God de Aarde voor de Gebruikers maakte. Alles is dus voor de Gebruikers om te gebruiken. Als er wat gebeurt omdat rivieren overstromen, bergen inzakken, grond gaat verschuiven of hellingen eroderen dan zijn de Gebruikers de pineut. Eigen schuld, dikke bult. Dan had je maar voorzichtiger moeten zijn.

Nu vinden de meesten dat niet zo erg als het gaat om niet levende grondstoffen, al zullen twistzieken graag in een discussie gaan over planten. Het probleem is dat er meer levende wezens zijn, de Hopelozen.

Het merendeel van deze groep is niet exploiteerbaar en mag blij wezen al neemt hun leefgebied snel af. Lange tijd is een gedeelte gefokt om hun vlees, melk en/of eieren. Dit gebeurde slechts op een relatief kleine schaal en ze konden rondom de behuizing van een Gebruiker lopen. Het is natuurlijk triest dat zo’n Hopeloze uiteindelijk geslacht werd om als voedsel te dienen maar als de Gebruikers er niet waren geweest dan hadden andere wilde dieren wel een lekker hapje Hopeloos geval gelust. En ze hadden geluk dat het vrij kostbaar was om 1 kilo Hopeloos te maken. Daar is ongeveer 4 kilo plant voor nodig. Dit betekent dat je relatief veel planten moet kweken. Het probleem was dat een Gebruiker met de Pet geen grond had. Dit betekende dat een stukje Hopeloos van de haas alleen voor de rijkeren was weggelegd of voor speciale feestdagen.

Tijden veranderen en daarmee de cultuur, de politiek en de technologie. Er kwamen sterkere planten en betere kweekmethoden. Meer en meer Gebruikers konden geld lenen om grond te kopen en al snel was het steeds goedkoper om 1 kilo Hopeloze te kweken. Andere gebruikers kregen ook meer geld en een nieuwe exploitatie bron was geboren. Om iedereen te voorzien moest er op grotere schaal geproduceerd worden en de Hopelozen mochten niet meer rondlopen. Net als in een NS spitstrein stonden ze zij aan zij, kop aan kont opgestapeld (vandaar de term veestapel) in een schuur.

De exploitanten beconcurreerden elkaar bijna het graf in, zo weinig was een hopeloze nog maar waard. Gelukkig werd een lage kiloprijs gegarandeerd door een landenoverkoepelende organisatie. Zo konden de Gebruikers zonder limiet gewoon door blijven produceren. Een minimum prijs werd immers gegarandeerd. Er werden zelfs zoveel Hopeloze gevallen geproduceerd dat het rendabel werd om ze te exporteren naar het buitenland.

Deze kopers echter willen hun eigen veestapel, economie en exploiteurs beschermen en de ingevoerde Hopelozen moeten aan hoge eisen voldoen. Zo mogen ze niet ingeent zijn tegen ziektes want dan kun je namelijk het verschil niet zien tussen een zieke en een ingeente gezonde Hopeloze. Het geeft niks dat ze van hun geboorte af aan volgepropt zijn met hormonen en chemicaliën. Om de export producten te beschermen heeft de overkoepelende organisatie het verboden de Hopelozen in te enten.

Dat geef niks zolang ze niet ziek worden maar wat als er nu een epidemie uitbreekt? Het zou onGebruikerlijk zijn om deze arme zieke Hopelozen niet in te enten.

Maar de organisatie grijpt in en blijft het inenten verbieden. Om de epidemie in te perken wordt in een straal van twee kilometer van een ziektegeval iedere Hopeloze opgespoord, opgepakt en vernietigd terwijl hij met een beetje goede wil weer kan genezen. Dit genezingsproces brengt natuurlijk wat lijden met zich mee voor de Hopeloze maar het is beter dan voortijdig uit je lijden verlost te worden. Rechters staan het zelfs toe om preventief Hopelozen te ruimen, zoals dat heet.

Het vreemde is, dat de ziekte niet eens schadelijk voor de Gebruikers. Er moeten zelfs Gebruikers op de televisie verschijnen om uit leggen waarom deze Hopelozen vernietigd moeten worden. Geen van allen liegt maar niemand zegt het duidelijk; ze worden per duizenden, nee tienduizenden vernietigd niet om de andere Hopeloze te beschermen maar om de portemonnee te beschermen. De Hopelozen zijn geëvolueerd tot een economische waarde. Voldoen ze daar niet aan dan worden ze vernietigd, net zoals appels en tomaten worden doorgedraaid als ze minder dan de minimum marktprijs opbrengen.

Hopelijk leid deze situatie tot een andere manier van landbouw. Een meer Hopeloos vriendelijke manier. Dan kost dat maar wat meer, maar een Hopeloze is geen tomaat. Als dat niet gebeurt dan staat je als Hopeloze nog maar een verstandig evolutie pad open; uitsterven.

“Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate” – Dante Alighieri (Abandon all hope, ye who enter here)

Share this: